Kleuters zijn kleine wetenschappers

Kleuters verkennen de wereld spelenderwijs. Maar dat ze ook systematisch experimenteren en conclusies kunnen trekken, werd betwijfeld. Misschien niet door ouders of begeleiders van jonge kinderen, maar wel door onderwijskundigen. Het weinige onderzoek dat ernaar gedaan is, concludeerde namelijk dat kleuters ‘maar wat doen’. Na honderden uren knikkeren in de kleuterklas, stelt onderzoeker Joep van der Graaf het beeld bij: kleuters zijn echte onderzoekers.

Kinderen in groep 1-2 kunnen een experiment opzetten en uitvoeren op zo’n manier dat van de uitkomst geleerd kan worden. Ook kunnen kleuters bewijzen evalueren om tot de juiste conclusie te komen – al hebben ze daar soms wel wat hulp bij nodig.
Joep van der Graaf deed een van de eerste systematische onderzoeken naar ‘onderzoekend leren’. ‘Dan heb je het over een vraag als: wat zorgt ervoor dat deze hoge toren niet omvalt. Bij ontwerpend leren zou je het kind vragen: maak een hoge toren.’

Aangepaste proefopzet

Voor zijn onderzoek (waarop hij op 7 juni promoveert aan de Radboud Universiteit) ontwierp Van der Graaf een dubbele knikkerbaan met vier variabelen waarmee kleuters verschillende vragen konden onderzoeken. Bijvoorbeeld welke knikker verder komt: een zware of een lichte.
Hij spitste zijn aanpak toe op de kleuterleeftijd: de kleuters konden de knikkerbanen zelf instellen, de variabelen van de knikkerbanen werden expliciet benoemd en de kinderen mochten het materiaal vooraf bevoelen. Bovendien was er een stapsgewijze opbouw in het aantal variabelen van één naar vier, en ze kregen te horen hoe goed ze het op dat moment deden.
Van der Graaf deed het onderzoek op scholen – met flink wat assistenten – bij honderd kleuters, die elk drie maal werden getest in groep 1 en 2.

knikkerbanen

‘Sommige kinderen gingen meteen systematisch aan het werk en begrepen kennelijk dat je de helling van de banen gelijk moet houden wil je een goede conclusie kunnen trekken. Door uitleg te geven over wat er wel of niet goed ging aan kinderen die niet vanzelf systematisch werken, kunnen ze tijdens het onderzoek leren over hoe je experimenten moet doen.’

Helpende vaardigheden

Van der Graaf ontdekte dat kleuters met betere zelfcontrole en een beter werkgeheugen, en kleuters met betere grammaticale vaardigheden, gemiddeld betere experimenten kunnen opzetten en beter conclusies kunnen trekken. ‘Voor woordenschat vond ik zo’n verband niet, wat op zich verrassend is omdat dat vaak als een maat voor intelligentie wordt gezien.’
Sterker nog, in onderzoek in het speciaal basisonderwijs vond Van der Graaf aanwijzingen dat deze moeilijk lerende kinderen óók wetenschappelijke vaardigheden ontwikkelen, alleen langzamer dan de kleuters op de ‘gewone’ basisschool.

Ook zelfstandig

natuurkundeappDoor een test met een speciaal ontworpen app kon Van der Graaf laten zien dat de kleuters ook zelfstandig kunnen ontdekken en onderzoeken. Met de app konden de kleuters natuurkundige principes ontdekken bij een glijbaan, een wip, en een slinger. De taak was om deze materialen zo in te stellen dat er een drankje of een hapje aan een nijlpaard gegeven kon worden.
Wel zag hij hier grote verschillen in de gebruikte strategie: er waren kleuters die veel verkenden en weinig efficiënt gedrag lieten zien en andersom.

Na het afronden van zijn promotieonderzoek is Van der Graaf nu bezig met vergelijkbaar onderzoek dat is gericht op kinderen vanaf groep 6, en hij werkt aan twee projecten met een digitale leeromgeving om onderzoekend te leren.

Joep van der Graaf (1986, Nijmegen) heeft aan de Universiteit Utrecht Cognitieve Psychologie (bachelor) en Neuroscience & Cognition (master) gestudeerd. Momenteel werkt hij als onderzoeker bij de Radboud Universiteit en de Universiteit Twente.

Meer weten? Neem contact op met

Bron: Radboud Universiteit