De krapte op de arbeidsmarkt in de bouw dreigt onbeheersbaar te worden door een onverwachte economische factor: de financiële positie van de vakman zelf.
Terwijl de sector schreeuwt om personeel, geeft 33 procent van de bouwvakkers aan voldoende financiële middelen te hebben om vroegtijdig te stoppen. In combinatie met de enorme vergrijzingsgolf dreigt hierdoor een acuut capaciteitsinfarct, blijkt uit cijfers van het CBS en VGMbox.
53.000 nieuwe gediplomeerden nodig
De cijfers schetsen een somber beeld voor de capaciteit op
de bouwplaats. Om alleen al de
natuurlijke vergrijzing van 64.000 oudere vakmensen op te
vangen, zijn er jaarlijks ruim 5.300 nieuwe gediplomeerden nodig.
De realiteit blijft daar ver bij achter. Hoewel
het aantal geslaagden voor mbo-niveau 2 en 3 (richting Bouw
& Infra) de laatste jaren steeg naar 3.510 in 2024, is dit structureel te
weinig. Gemiddeld studeerden er de afgelopen negen jaar slechts 2.726 vakmensen
per jaar af. Zelfs in het gunstigste scenario, waarin iedere gediplomeerde
daadwerkelijk de bouw in gaat, ontstaat er de komende twaalf jaar een tekort
van ruim 20.000 vakmensen.
Vroegtijdige uitval
Het feitelijke tekort zal naar verwachting veel eerder en heviger voelbaar zijn. Uit
een panelonderzoek in opdracht van VGMbox
onder 525 werkenden in de bouw,- transport- en industriesector blijkt
dat veel bouwvakkers de officiële pensioengerechtigde leeftijd niet
zullen halen:
- 22% geeft aan het werk fysiek niet vol te kunnen houden tot het pensioen. Nog eens 21% twijfelt hieraan.
- De
animo om eerder te stoppen is groot (63%). Cruciaal is dat een
aanzienlijk deel (33%) verwacht dat dit financieel ook daadwerkelijk
mogelijk is. Deze groep wordt gesteund door de 'zwaarwerkregeling' in de
nieuwe cao, die oudere werknemers in de bouw de mogelijkheid biedt om
tot drie jaar voor de AOW-leeftijd te stoppen, tegen een bruto uitkering
van 2.522,95 euro per maand in 2026.